Passend werk voor statushouders: breng vraag en aanbod bij elkaar

Auteur:Erik Hoogeveen
Datum:5. 17. 2019
Leestijd:3 minuten

De pilot Leren en Werken biedt perspectief voor Ibrahim en zijn medestudenten. Voor veel andere statushouders blijft passend werk vinden een uitdaging. Hoe komt dat? Met Han Entzinger, Emeritus hoogleraar Migratie- en Integratiestudies aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, duiken we in de materie en blikken we vooruit.

 

11 procent van de statushouders heeft binnen 30 maanden werk, zo berekende het CBS. Hoe komt het dat dit percentage zo laag ligt, denkt u?
Han Entzinger: ‘Of een statushouder erin slaagt betaald werk te vinden, hangt af van veel factoren: taalvaardigheid, diploma’s, de bereidwilligheid van werkgevers, steun van partijen als het UAF, noem maar op. Feit is dat de Nederlandse samenleving niet ingericht is op zij-instromers, wat vluchtelingen in feite zijn. Ons sociale stelsel is niet berekend op mensen die halverwege hun leven ineens deel gaan uitmaken van onze samenleving. In tegenstelling tot arbeidsmigranten komen vluchtelingen niet binnen omdat er behoefte is aan hun kennis en vaardigheden. Ze komen naar Nederland omdat zij bescherming zoeken.’

Dat is een groot verschil.
‘Enorm. Vluchtelingen nemen zonder twijfel talent en kennis mee naar Nederland, maar naar dat talent en die kennis is niet altijd vraag. Dat geeft statushouders een zwakke positie. Vraag en aanbod kunnen enorm uit elkaar liggen. In Duitsland zijn ze actief in het omscholen van vluchtelingen naar functies waar behoefte aan is. Dat zouden we in Nederland ook meer kunnen doen. Dat statushouders potentie hebben staat niet ter discussie.’

Hoe brengen we vraag en aanbod bij elkaar?
‘De oplossing is niet eenduidig. Natuurlijk is het belangrijk om vluchtelingen goed op te leiden, maar het is net zo belangrijk om werkgevers te laten inzien dat er een grote onbenutte arbeidsreserve is. Dat gaat al beter dan een paar jaar geleden. De krapte op de arbeidsmarkt biedt uitkomst.’

Een nieuwe Inburgeringswet is aanstaande. Wat adviseert u minister Koolmees?
‘De voortekenen zijn goed. Zoals het er nu uitziet, krijgen gemeenten een grotere rol bij de integratie, en inburgeren en toeleiden naar arbeid worden nauwer met elkaar verweven. Over onderwijs lees ik nog te weinig terug in de plannen. Eigenlijk zou je inburgeren kunnen zien als een vorm van regulier onderwijs. Dat de wet onder het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid valt en niet onder het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is een historisch gegeven, maar zorg er dan wel voor dat de kwaliteit van het inburgeringsonderwijs voldoende is. We moeten vluchtelingen meer bijbrengen dan trucjes om het examen te halen.’

Welke rol ziet u voor het UAF in de komende jaren?
‘Naast het lobbywerk en de financiële en mentale steun die het UAF biedt aan vluchtelingstudenten, zie ik een rol voor het UAF in de ondersteuning van onderwijsinstellingen en werkgevers. Jullie kunnen er mede voor zorgen dat die partijen aansluiting vinden bij de behoeftes van vluchtelingen. Dan denk ik aan nog meer schakeltrajecten en nog meer duale opleidingen met goede begeleiding. Werken en leren moeten hand in hand gaan.’

Bent u positief gestemd?
‘Laat ik het zo zeggen: het UAF zal nog wel even nodig blijven. De overheid zou alle taken van het UAF kunnen overnemen, maar ik denk niet dat dat verstandig is. Je moet niet alles door de overheid willen laten regelen. Het is goed voor het draagvlak dat particulieren een rol hebben bij de integratie van vluchtelingen in de Nederlandse samenleving.’


Deel dit artikel: