In de jaren 50 en 60 kwamen veel vluchtelingen uit Oost-Europa naar Nederland.
De jonge Hongaarse Vera Illés was een van hen. In de jaren 70 ontvluchtten
velen de dictaturen in Latijns Amerika. Gladys Mejijas (Chili) en Alejandra Slutzky (Argentinië) hoorden bij de vluchtelingen die in Nederland belandden. In de jaren 80 en 90 kwamen veel vluchtelingen uit het Midden-Oosten en Afrika naar West-Europa.
Farah Karimi (Iran) en Ayaan Hirsi Ali (Somalië) zochten veiligheid in Nederland.
VERA ILLÉS, KIND VAN EEN ANDERE TIJD
Het verhaal van een Hongaarse vluchteling.
Amsterdam: Uitgeverij Prometheus. 1992 – 2006 (tweede, uitgebreide druk). 175 blz.
Sympathieke autobiografie van in 1945 geboren Hongaarse vluchtelinge (met joodse achtergrond) die evenwichtig en met zelfreflectie beschrijft hoe zij zowel Nederlandse als zichzelf is geworden. Laatste deel biedt impressie van (tijdelijke) terugkeer naar Boedapest als correspondent voor een Nederlandse krant.
Beschrijving van de vlucht naar Nederland, het Nederlandse eten als onuitputtelijke bron van hilariteit, het Nederlands, en het geleidelijk aarden in een andere samenleving.
Complimenten met betrekking tot haar Nederlands heeft zij ‘altijd als dubbelzinnig ervaren; in de prijzende woorden voelde ik een neerbuigende houding doorklinken.’
‘Wie uit moet leggen dat zij in het Nederlands denkt, blijft een vreemde.’
‘Ik was zo bang voor een vreemde te worden aangezien, dat ik niet bijzonder durfde te zijn.’
GLADYS MEJIAS en Colet van der Ven, MORGEN VOOR MIJ
Het openhartige verhaal van een Chileense vrouw die haar land moest ontvluchten.
Amsterdam: Uitgeverij Arena. 2004. 176 blz.
Hoeveel ellende kan zich in een leven voltrekken? Uitbuiting, armoede, verkrachting, mishandeling, een dood geboren kind, bedrog, vlucht, kanker. Hoeveel veerkracht kan een mens opbrengen? Dit Levensverhaal van een sterke vrouw die in Groningen lid werd van de gemeenteraad gaat vooral over verzet, liefde, betrokkenheid en vitaliteit. Rake observaties over Nederland, - waar ‘het geluid van spelende kinderen lawaai heet’ - ontbreken niet. ‘De keelklanken van de taal klonken in mijn oren als een soort bronchitis. Zou ik dat ooit leren? Ik verwonderde mij over veel maar werd blij van weinig.’ Over de door de week gesloten kerkdeur: ‘In Nederland had God een agenda.’
ALEJANDRA SLUTZKY, DE STILTE
Een Argentijnse familiegeschiedenis.
Amsterdam: Uitgeverij Arena. 2003. 316 blz.
Een aangrijpend familierelaas over strijd en ballingschap van drie generaties. De familie met Joods-Russische, Scandinavische, Spaanse, Argentijnse en Nederlandse wortels wordt geteisterd door het politieke klimaat waarin geen ruimte voor hen bestond. De repressie in Argentinië in de tijd van dictator Videla wordt scherp getypeerd. De schrijfster vluchtte in 1978 als veertienjarige naar Nederland; haar moeder moest ze achterlaten, haar vader bleek later kort na zijn arrestatie te zijn vermoord.
FARAH KARIMI, HET GEHEIM VAN HET VUUR
Strijdend voor vrijheid van Teheran naar Den Haag.
Amsterdam: Uitgeverij Arena. 2005. 207 blz.
Samen met Chris Keulemans tekende de Iraanse Farah Karimi het bewogen verhaal op van haar detentie, vlucht en de breuk met de verzetsbeweging waar zij deel van uitmaakte.
Beschreven wordt hoe wantrouwen en verraad in Iran uitgroeiden tot een tweede natuur. Ook de vlucht eist uitzonderlijk veel van haar. Op persoonlijk vlak blijft Karimi weinig leed bespaard. Ondanks alle ellende zet zij door en ziet ze kans om lid te worden van het Nederlandse parlement.
AYAAN HIRSI ALI, MIJN VRIJHEID.
De autobiografie.
Vert. uit Engels. (2006)
Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Augustus. 2006. 448 blz.
Pakkend en zeer persoonlijk verhaal over zesendertig zeer bewogen jaren en een cultureel tijdsdocument over werelden van verschil. “Tussen mijn grootmoeder en mij zitten maar twee generaties, maar in werkelijkheid is het een reis van duizend jaar. (..) De boodschap van dit boek is dat wij in het Westen niet de pijn van die overgang [naar de moderne wereld] onnodig moeten rekken door culturen die bol staan van onverdraagzaamheid en haat jegens vrouwen en kinderen te beschouwen als een respectabele manier van leven.”
Verhaal van een Somalische vluchtelinge, die sinds haar achtste terecht kwam in Saoedi-Arabië (1977), Ethiopië (1979), Kenia (1980), Somalië (1990), Kenia (1990), Duitsland (1992), Nederland (1992), de Verenigde Staten (2006).
Op tienjarige leeftijd heeft zij al drie verschillende falende politieke systemen ervaren: honger en geweld, vrouwen behandeld als rechteloze dieren, wantrouwen, verraad, wraakzucht. Hirsi Ali ontwikkelt zich van gelovige moslima via fundamentalisme tot liberale activiste. Ze legt in haar beschrijving sterke nadruk op de invloed van de clan; de breuk met de clan is dan ook een intense ervaring. Ook haar kijk op Nederland wordt gekleurd door clandenken. Het werken als tolk voor asielzoekers is een “leerschool in lijden, misbruik, pijn, ellende en onwetendheid”. Dan volgen haar studie politicologie in Leiden, de opkomst en ondergang van een uitzonderlijk kamerlid en de samenwerking met en dood van Theo van Gogh.